Gebruik ik een optische of een digitale zoom?
Veel digitale camera’s zijn met een optische en een digitale zoom uitgerust.
De optische zoomlens van de camera verandert de brandpuntafstand zodat het onderwerp dichter bij of verder weg verschijnt. Bij een grotere zoomsterkte zijn het onderwerp en de totale scène dichterbij zichtbaar, zonder dat details en kwaliteit verloren gaan, maar de objectieflens neemt minder licht op.
Bij het gebruik van een digitale zoom berekent het digitale systeem van de camera alleen de reeds opgeslagen fotogegevens opnieuw om een zoomeffect te produceren. Dit heeft een resolutieverlies van de opname tot gevolg. De meeste digiscopers deactiveren de digitale zoom of schakelen hem uit, omdat ze dit resolutieverlies of verpixeling van de foto’s willen vermijden.
Berekening van de brandpuntafstand: hoe werkt het?
De brandpuntafstand beïnvloedt de vergroting, het beeldfragment (gezichtsveld) en de scherptediepte. Een lange brandpuntafstand betekent weliswaar een flinke vergroting maar ook een kleiner gezichtsveld en een lagere scherptediepte.
Om met een digitale camera dezelfde brandpuntsafstand te krijgen als bij een 35 mm-camera, moet u wat rekenwerk doen. Iedere digitale camera heeft een getal dat met een 35mm-camera overeenkomt. Ter illustratie, bij de Nikon P-6000 is dit 35-mm-equivalentgetalgetal 28 – 112 mm. Omdat de Nikon P-6000 een digitaal brandpuntafstand van 6 – 24 mm heeft, levert dit een factor van 4,66 op (28 mm gedeeld door 6 mm). Deze factor of de waarde van de brandpuntafstand die met de 35 mm-camera overeenkomt staan gewoonlijk in de handleiding van de camera vermeld.
De gelijkwaardige brandpuntsafstand is nu de ingestelde brandpuntsafstand van de digitale camera, vermenigvuldigd met de factor 4,66.
Voorbeeld:
De Nikon P-6000 is op een brandpuntsafstand van 14 mm ingesteld.
14 mm x 4,66 = 65,2 mm brandpuntsafstand, equivalent aan een 35 mm-camera.
Om van uw digiscoping-uitrusting de totale brandpuntafstand die met een 35mm-camera overeenkomt te berekenen, moet u deze brandpuntafstand met de vergroting van uw telescoop vermenigvuldigen.
Voorbeeld:
Uw telescoop is op een vergroting van 20x ingesteld.
65,2 mm x 20 = 1.304 mm totale brandpuntafstand die met een 35 mm-camera overeenkomt
Om de totale digitale brandpuntafstand van uw digiscoping-uitrusting te berekenen, hoeft u alleen maar de brandpuntsafstand van uw digitale camera met de vergrotingsinstellingen van uw telescoop te vermenigvuldigen.
Voorbeeld:
De digitale camera is op een brandpuntsafstand van 14 mm ingesteld, de telescoop op een 20-voudige vergroting:
14 mm x 20 = 280 mm totale digitale brandpuntafstand
Wat is de werking van het diafragma?
Het diafragma is de opening die het licht doorlaat zodat het op de CCD terechtkomt.
Bij gebruik van een laag diafragmagetal (ongeveer f 2,4) neemt de grootte van het diafragma toe en laat het meer licht de camera binnenkomen.
Met het diafragma wordt ook de scherptediepte van de foto geregeld:
- Een laag diafragmagetal (groter diafragma) = weinig scherptediepte
- Een hoog diafragmagetal (kleiner diafragma) = veel scherptediepte
Een lage scherptediepte concentreert zich op het object en houdt de gebieden voor en achter het object buiten de scherpstelling. Dit gebeurt wanneer u met uw telescoop voor een aanzienlijke vergroting kiest.
Als u van een hoog diafragmagetal met hoge scherptediepte gebruik maakt, moet de hele foto scherp zijn gesteld. Deze instelling wordt vaak bij digiscoping van vogels in vlucht gebruikt, of wanneer bij de opname van een bepaalde diersoort het landschap belangrijk is. Echter, een grotere scherptediepte is slechts te bereiken met een kleinere vergroting van uw objectief.
Indien de camera met een modus “diafragmaprioriteit” is uitgerust, kunt u het diafragma met de hand op de gewenste waarde instellen en de camera stelt dan automatisch de beste sluitertijd in.
Wat zijn opnameprogramma's?
Opnameprogramma’s beschikken over standaardparameters voor het fotograferen van verschillende onderwerpen en scènes. Hun namen, zoals “sport”, “landschap” of “portret” zijn voor de gebruiker duidelijk. Als u voor het sportprogramma kiest, gebruikt de camera bijvoorbeeld een korte sluitertijd, omdat de fotograaf een snel bewegend onderwerp wil weergeven.
Het portretprogramma kiest onafhankelijk een groter diafragma om er zeker van te zijn dat er niet gefocust wordt op de achtergrond (weinig scherptediepte) en dat het onderwerp scherp wordt afgebeeld. Dergelijke opnameprogramma’s kunnen veel tijd en moeite besparen en leveren doorgaans goede resultaten op.
Wanneer u bij digiscoping van een standaardopnameprogramma gebruik maakt, stelt u de camera bijvoorbeeld op “landschap” in als u stil zittende dieren wilt fotograferen, en op “sport” voor vliegende vogels etc. ... Vergeet evenwel niet de flits te deactiveren!
Lichtgevoeligheid: wat betekent dat?
De CCD-sensor van een digitale camera kan op verschillende lichtgevoeligheden worden ingesteld. Bij de analoge fotografie moest u voor verschillende lichtomstandigheden verschillende films gebruiken:
ISO 100: fel zonlicht
ISO 200: de meeste omgevingsomstandigheden
ISO 400: lichtarme omgeving
ISO 800: zeer lichtarme omgeving
In het algemeen kan de gebruiker de lichthoeveelheid voor de opname ook via het vergroten van het diafragma of via een langere belichtingstijd verhogen. Wanneer de gebruiker het echter met de ter beschikking staande diafragmagetallen en sluitertijden moet doen, draagt een toename van de ISO-waarde ertoe bij meer licht in de camera te brengen.
Enkele cameramodellen stellen de lichtgevoeligheid automatisch in. Wanneer het voor de huidige belichtingsinstellingen van de camera te donker is, kiest u voor de CCD een hogere gevoeligheidswaarde om tot betere resultaten te komen. Het enige nadeel: hoe hoger de gevoeligheid, des te sterker is waarschijnlijk het beeldruis, wat een slechtere beeldkwaliteit betekent.
Witbalans: wat is dat?
Omdat verschillende lichtsoorten uit verschillende bronnen verschillende lichttemperaturen hebben, kan het opgenomen beeld hetzelfde onderwerp al naargelang de lichtbron in verschillende kleuren weergeven. Er bestaat bijvoorbeeld een verschil tussen zonlicht op een wolkenloze dag en het licht van een neonbuis.
De camera moet daarom naast de lichtintensiteit ook de kleurtemperatuur van het omgevingslicht kennen om een correcte kleurweergave te garanderen.
Moderne digitale camera's beschikken over een automatische witbalans. De camera analyseert automatisch het omgevingslicht, bepaalt het exacte temperatuurbereik van de kleur en corrigeert eventuele kleurafwijkingen om foto’s met een natuurlijke kleurweergave tot stand te brengen.
Met veel digitale camera’s is het ook mogelijk de witbalans met de hand in te stellen. Over het algemeen bieden ze ook standaardparameters ter afstelling van de lichttemperaturen van zonlicht, bewolkte dagen, kunstlicht of fluorescerend licht.
Enkele cameramodellen hebben een druk-op-de-knopfunctie om al naargelang de actuele lichtbron de witafstelling in te stellen. Daartoe moet de fotograaf het objectief op iets wits „uitproberen“ (normaal gesproken is een vel papier voldoende) en dan met een druk op de knop de waarden opslaan.
Wat wordt onder beeldruisonderdrukking verstaan?
Onder beeldruis verstaan we de zichtbare interferenties op de CCD-sensor, die op de foto in de vorm van ongewenste kleurvlekken verschijnen. Over het algemeen neemt de omvang van de ruis met de ISO-waarde toe.
In de ruisonderdrukkingsmodus maakt de camera twee foto’s: de normale opname en een tweede met dezelfde belichtingstijd, maar met een gesloten sluiter. De camera stemt beide foto’s op elkaar af en kan voortaan die bereiken identificeren die ongewenste stoorvlekken laten zien en deze adequaat opheffen.
Talrijke digiscopers gebruiken een programma voor ruisonderdrukking zoals bijvoorbeeld Neat Image.
Wat is de werking van de sluitertijd?
De belangrijkste taak van de sluitertijd is het sturen van de belichtingstijd. Ze is evenwel ook van invloed op de wijze waarop de bewegingen worden weergegeven. Bij korte sluitertijden kunnen vliegende vogels of lopende wilde dieren wanneer ze langsvoorbijkomen worden “ingevroren”.
Met een lange sluitertijd bereikt de fotograaf daarentegen een vertekende foto, bijvoorbeeld wanneer de indruk van snelheid moet worden overgebracht. Hoe dan ook, de belangrijkste toepassing van lange sluitertijden is voor opnames bij slechte lichtomstandigheden.
Wanneer de camera ook in de modus “Sluiterprioriteit” staat, kiest de fotograaf de sluitertijd met de hand en de camera zoekt de beste instelling voor het diafragma voor de beste belichting.